Ineens was het een kinderfeestje in een mortuarium
...Hoe operatie Bossche Bol begon en waarom Rechter Joyce geruisloos naar een neoconlinks platform verdween...
Ik kwam binnen met de oude, groene Engelse koffer, gevuld met Bossche bollen. Er heerste een hittegolf, en tegenover mij zat een man die op Ronald Plasterk leek, zij het alsof diens hoofd met een fietspomp wat was opgeblazen. En Ronald Plasterk leek op zijn beurt weer op een opgeblazen versie van Erik Lindner, zodat ik een eindeloze reeks matroesjkapoppen vermoedde en geen flauw idee had wie je uiteindelijk als kern zou aantreffen.
De man in kwestie, afkomstig uit een familie die na de oorlog had moeten vluchten, was tijdens die ballingschap vanzelfsprekend een groot anglofiel geworden. Ik kom beslagen ten ijs, dus omdat ik nooit eerder van hem had gehoord, zijn veertig bestuursfuncties ten spijt, had ik daadwerkelijk een boek van hem gelezen en ook meegenomen. Hoe heette dat boek ook alweer? Een onbenullige titel, iets als Zo zit het, en niet anders! In dat boek werd tot in den treure de ambtenarij toegesproken over… ja, waarover eigenlijk? Over het feit dat de ambtenarij boven alles te verkiezen viel. Het was een stomvervelend boek. Ik haalde het samen met de Bossche bollen uit de koffer en legde het demonstratief op tafel.
De man weigerde zijn Bossche bol.
Maar aan die weigering kleefde geen spoor van autoriteit, omdat hij er meteen een uitvlucht achteraan plakte. Hij zou ‘suikerziekte’ hebben. Alsof dat een excuus is om een Bossche bol af te slaan. Dat heb ik zelf ook. Ook de kribbige beambte van het Letterenfonds — ik ben haar naam vergeten; toen het in de rechtszaak ‘serieus’ werd, werd ze prompt vervangen door een glibberige Amerikaan die zich met ‘informatiebeheer’ bezighield, Richard Jackson — moest er niets van hebben. Uiteindelijk wilde alleen Welmoet Tiedemans er eentje, dezelfde Welmoet die ons vijf minuten eerder nog gniffelend op de enorme rode paniekknop bij de ingang van het Letterenfonds had gewezen. Zo werden de eerste vijf minuten van de zitting van de Hoorcommissie een schizofrene vertoning: aan de ene kant van de tafel de opblaas-Plasterk en zijn kribbige gezel, aan de zijkant de smullende Welmoet, en ook Veronique en ik lieten ons de bol uitstekend smaken.
Het geheim van de Bossche bol is dat hij elke pretentie van beschaving vrijwel onmiddellijk opheft: er bestaat eenvoudigweg geen manier om er een beschaafd van te eten. Wie er een aanneemt, verandert ter plekke in een schransende barbaar. Bestuursfunctie wist dat donders goed. En de kribbige, zoals ik haar maar noem, zou sowieso nooit iets van mij hebben aangenomen, al was het een chic after eightje geweest.
En dus zaten we aan de verhoortafel tijdens een hittegolf gedrieën Bossche bollen te schranzen, en de belangrijke Mosterdman — ‘de paus is mijn grote voorbeeld, uit zijn boek…’ — kreeg zulke grote ogen toen ik even tevoren ook nog gouden vorkjes uit de koffer haalde om de bollen mee te lijf te gaan, dat ik een fractie van een seconde ware paniek door zijn hoofd zag schieten. Even viel hij uit de stoffige mal. Even was hij niet langer Bestuursfunctie, niet langer de man die uit gewoonte in volzinnen sprak alsof er altijd notulen werden gemaakt, maar gewoon een bibberend zoogdier dat zich plotseling in een situatie bevond waarvoor geen protocol bestond.
Dat was het mooie van die vorkjes. Niet dat ze praktisch waren — een Bossche bol laat zich door geen enkel bestek werkelijk disciplineren — maar dat ze iets ontregelden. Ineens was het geen hoorzitting meer, geen keurige choreografie van bevoegdheden, geen rituele vernedering waarbij de ene kant van de tafel vragen mocht stellen en de andere kant slechts antwoorden. Ineens was het een kinderfeestje in een mortuarium. Dat voelde ook hij. Je zag hem rekenen: had hij nu mee moeten doen, om het informele te neutraliseren? Of juist moeten blijven weigeren, om de waardigheid van zijn ambt te handhaven? Hij koos voor het laatste, maar ik zag dat het geen keuze uit kracht was. Het was de keuze van iemand die alleen kan bestaan zolang de vorm hem draagt.
Later was er tijdens de rechtszaak precies dezelfde paniek, toen ik plotseling een gedicht van Jan Baeke wilde voordragen. Rechter Joyce, een zorgvuldig uitgekozen leuk personage dat keurig was meebewogen naar — hoe heette dat platform ook alweer waar heel neoconlinks zich naartoe verplaatste? Blueband? Bluesky? Enfin — onze populaire twitterrechter, die in honderd procent van de gevallen voorbeeldig de overheidsbandbreedte volgde en bovendien een bewonderaar van Hillary Clinton bleek — ze bestaan dus echt —, deze in empathie drijvende jongedame slaakte aanvankelijk zelfs een klein kreetje van verlichting toen ik na al dat zware geneuzel ineens een gedicht wilde voordragen.
Heel even dacht ze dat er iets menselijks de zaal was binnengekomen. Iets luchtigs, iets beschaafds zelfs, een klein cultureel intermezzo waarmee de verschrikking van het juridische toneel nog een ogenblik kon worden gemaskeerd. Maar onmiddellijk daarop volgde de afkeurende hoofdbeweging van de vrouw die officieel slechts de notulist scheen te zijn, een soort bijzet van de rechter, maar die in werkelijkheid de broek droeg in die rechtszaal. Ik noem haar de barones Clustermigraine.
Dat was ook precies haar uitstraling: niet zozeer een mens als wel een adellijke pijnaanval. Zij behoorde tot dat zeldzame type functionaris dat er al geïrriteerd uitziet vóór er überhaupt iets heeft plaatsgevonden, alsof de wereld haar sinds haar geboorte een permanent licht te fel en een fractie te luid is geweest. Geen woord kwam de zaal in zonder eerst door haar gelaat te worden veroordeeld. Zij zat daar niet als griffier, niet eens als bewaker van de orde, maar als hogepriesteres van de procedure, als iemand die elk spontaan gebaar meteen als een besmetting beschouwde. Een gedicht? In de rechtszaal? Dat kon een smet op de zaak werpen. Voor je het wist zat iedereen daar ineens waarachtig te luisteren.
De leuke rechter trok haar enthousiasme dan ook onmiddellijk weer in. O nee, gedichten, dat was hier niet de bedoeling. Tijdens de hele zitting had zij samen met barones Clustermigraine zorgvuldig een soort toneelstuk opgevoerd waarin zij deden alsof de geheimhouding die aan het Letterenfonds was toegekend volstrekt vanzelfsprekend was, een neutrale technische maatregel, louter een kwestie van orde en veiligheid, en geenszins de potsierlijke overreactie van een instelling die zich gedroeg alsof ik een morsende, smullende barbaar was, iemand voor wie die rode paniekknop nu juist was uitgevonden.
Dat was hun hele mise-en-scène: wij zijn hier de volwassenen, u bent hier de mogelijke vlek. Zij de beschaving, ik de slagroomdreiging. Alleen werkte dat toneelstuk natuurlijk maar zolang iedereen zich aan het script hield. Dat voelde de barones Clustermigraine instinctief aan. Als er ergens gelachen werd, keek zij alsof iemand in de soep had geürineerd. Als iemand iets onverwachts zei, kreeg haar gezicht de uitdrukking van iemand die op vakantie in Toscane ineens een snackbar ziet.
Overigens, deze liefhebbers van pijnlijke procedures zijn aan de achterkant ietwat lankmoedig, en ik vermoed dat die discrepantie precies de oorzaak is van ‘de eeuwige hoofdpijn’, lees maar even mee in een eerder artikel.
Aan de voorkant spelen zij met toewijding het hele poppentheater van de zorgvuldigheid: de kleine frons, het begripvolle knikje, de zachte stem waarin men suggereert dat ook úw leed natuurlijk zeer serieus genomen wordt. Maar aan de achterkant hangt alles los. Daar fladderen de motiveringen als half dichtgeknoopte ziekenhuisjassen over de gang. Daar wordt met een bewonderenswaardige soepelheid over gaten heen gestapt waar in een normaal rechtsbestel gewoon iemand doorheen zou vallen.
De tijdens de zaak zorgvuldig geëmuleerde zieligheidsempathie verdween in de uitspraak dan ook als sneeuw voor de zon. En terecht, zou ik bijna zeggen, want toneel dat te lang blijft doorlopen wordt vermoeiend. In de zittingszaal kreeg men nog de indruk dat men met mensen sprak; in de uitspraak bleek weer ouderwets dat men slechts met categorieën had gewerkt. Niet met argumenten, maar met de bekende kleurenleer van de institutionele kleuterschool: schrijvertje zegt groen vinkje, fonds zegt rood vinkje, rechter denkt: het fonds zal wel een grotere stiftenkoker hebben. Daarmee was de zaak, naar Nederlandse maatstaven, natuurlijk praktisch al gewonnen. Niet op inhoud, maar op kantoorbenodigdheden.
Dat is ook het komische van zulke rechtspraak: zij presenteert zich als verheven boven de partijen, maar denkt ondertussen precies als een middelmatige afdelingsmanager die bang is om in de groepsapp buiten de consensus te vallen. Men noemt dat onafhankelijk oordeel, maar vaak is het gewoon hiërarchische buiksprekerij met een toga eroverheen. De rechter spreekt, maar ergens hoor je toch het zachte geritsel van ordners, loketten, subsidielijnen, beleidslogica, de hele vochtige papierfauna van bestuurlijk Nederland, dat dier dat alleen kan overleven door elk levend conflict eerst te reduceren tot een formulier en daarna dat formulier niet al te aandachtig te lezen.
En juist daarom was die geëmuleerde empathie zo leerzaam. Niet omdat zij ontbrak — integendeel, zij was overvloedig aanwezig, als een gratis pepermuntje bij de tandarts — maar omdat zij nergens toe verplichtte. Zij was decor, geen daad. Een stemmige lamp in een kamer zonder elektriciteit. Men kon begripvol kijken, zorgvuldig knikken, zelfs heel even de indruk wekken dat er ruimte bestond voor menselijkheid, zolang dat alles maar geen enkel juridisch gevolg hoefde te hebben. Zodra er namelijk consequenties dreigen, zodra empathie zich zou moeten omzetten in oordeel, blijkt zij in dit land meestal niet meer dan een soort administratieve foamlaag: prettig voor de buitenkant, totaal betekenisloos voor de constructie.
Zo bezien was de uitspraak volmaakt coherent. Eerst werd tijdens de zitting het menselijk gelaat van de procedure opgevoerd; daarna werd in de beslissing het echte gezicht weer tevoorschijn gehaald: dat van de procedure zelf, een wezen zonder mond, zonder oren, maar met een uitzonderlijk goed ontwikkeld vermogen om de staat en zijn aanhangsels alvast gelijk te geven. Men moet dat niet verwarren met kwaadaardigheid. Kwaadaardigheid veronderstelt tenminste nog een ziel. Dit was iets veel Nederlandser: de keurige, gladde, uitstekend geventileerde onwil om ook maar één stap buiten de voorgedrukte vakjes te denken.
En zo eindigt men dan waar men in zulke zaken altijd eindigt: niet bij recht, niet eens bij onrecht, maar bij dat specifiek vaderlandse moeras daartussenin, waar iedereen beleefd blijft, niemand verantwoordelijk is, en de uitkomst toch wonderbaarlijk samenvalt met wat het instituut vanaf het begin al wilde. De empathie was voor de bühne, de geheimhouding voor het gemak, en het oordeel voor de boekhouding. De rest is slagroom.
U groet,
Martijn Benders, 11-04-2026

